Algemeen
Recht op verlaagd tarief overdrachtsbelasting bij bewoning van zeven maanden
Donderdag 26 juni 2025
Bron
Ministerie van Financiƫn | publicatie | 2025-0000015214 | 18-06-2025
De staatssecretaris van Financiën heeft het cassatieberoep tegen een uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 10 april 2025 ingetrokken. Die uitspraak biedt belangrijke duidelijkheid over hoe het verlaagde tarief en de startersvrijstelling in de overdrachtsbelasting moeten worden toegepast. Volgens de staatssecretaris draagt het oordeel van het hof bij aan een betere uitvoerbaarheid van de regeling.
Overdrachtsbelasting is een tijdstipbelasting
Bij overdrachtsbelasting wordt op het moment van de verkrijging van de woning beoordeeld of is voldaan aan de voorwaarden voor het verlaagd tarief en de startersvrijstelling. Een belangrijk criterium voor toepassing van het verlaagde tarief van 2% (in plaats van het hogere tarief van 10,4%) is of de koper de woning als hoofdverblijf gaat gebruiken.
Maar wat als kopers op het moment van aankoop al weten dat ze slechts tijdelijk in de woning zullen wonen?
De zaak: woning 1 en woning 2
In deze zaak kochten belastingplichtigen een woning (woning 1), waarin zij woonden terwijl een tweede woning (woning 2) nog gebouwd werd. De Belastingdienst stelde dat de kopers geen recht hadden op het verlaagde tarief, omdat zij op het moment van aankoop al wisten dat zij binnen afzienbare tijd zouden verhuizen naar woning 2. Daarom zou sprake zijn van slechts tijdelijke bewoning van woning 1, en zou het reguliere tarief van 8% (destijds geldend; nu 10,4%) moeten gelden.
De belastingplichtigen waren het hier niet mee eens en betaalden 2% overdrachtsbelasting bij aankoop van woning 1.
Na zeven maanden verhuisden zij daadwerkelijk naar woning 2, toen deze gereed was.
Hof: zeven maanden is niet tijdelijk
Het Gerechtshof Den Haag oordeelde dat de bewoning van woning 1 niet als tijdelijk moet worden aangemerkt. Daarbij sloot het hof aan bij de termijn van zes maanden die in de parlementaire geschiedenis wordt genoemd als indicatie voor 'anders dan tijdelijke' bewoning.
Omdat de belastingplichtigen woning 1 daadwerkelijk langer dan zes maanden als hoofdverblijf gebruikten, was er volgens het hof sprake van duurzame bewoning. Er was dus wél recht op het verlaagde tarief.
Uitleg biedt duidelijkheid
Met het intrekken van het cassatieberoep door de staatssecretaris is het oordeel van het hof definitief geworden. Dat betekent dat voortaan aangenomen mag worden dat bewoning van een woning voor langer dan zes maanden in beginsel niet als tijdelijk wordt gezien, ook als van tevoren bekend is dat men op termijn zal verhuizen.
Let op: dit geldt alleen als er geen sprake is van misbruik of oneigenlijk gebruik van de regeling.